NCB Naturalis

Mammoetcollectie

's Werelds grootste verzameling mammoetbotten

De collectie botten van grote zoogdieren uit de ijstijd in Naturalis mag je met recht een mammoet collectie noemen. 
De verzameling telt meer dan 10.000 botten van de wolharige mammoet, allemaal in Nederland gevonden. Er zijn niet alleen mammoetbotten. Ook botten van andere dieren die in de tijd van de mammoet hebben geleefd, de laatste ijstijd in Nederland, zijn vertegenwoordigd. We hebben het over de periode van ongeveer 100.000 - 10.000 jaar geleden. De bulk van de botten is opgevist van de Noordzeebodem. De mammoetverzameling botten van Naturalis is wereldberoemd. Alleen in Sint Petersburg heeft de Russische Academie van Wetenschappen een collectie van vergelijkbare omvang, maar die botten komen uit de permafrost van Siberië.

Van onderkaak tot tongbeen

Alle botten uit het mammoetskelet zitten in de verzameling van Naturalis. Maar dat niet alleen, van elk bot bezit het museum ook nog eens meerdere exemplaren. Groot en klein, jong en oud, mannetje en vrouwtje, gezond en ziek. Er zijn wel 20 onderkaken! Daaraan kun je zien hoe de kieswisseling van de mammoet verliep, van heel jong tot heel oud toen de laatste kies doorkwam. Ook alle mammoetsoorten zijn vertegenwoordigd: de zuidelijke mammoet, de steppemammoet en de wolharige mammoet. Hieraan zie je hoe de mammoet is geëvolueerd tijdens de twee miljoen jaar dat hij in ons land leefde.

Er zijn heel zeldzame botten bij zoals een tongbeen, botten van heel jonge mammoeten en de laatste staartwervels. Maar het meest bijzondere aan de collectie is toch wel de omvang ervan. Door die grote verzameling zie je namelijk heel goed de variatie, de groei, afwijkingen en ziekten binnen de soort.

Koude Serengeti

The 'Big five' slaat niet alleen op de vijf grootste zoogdieren in Afrika, maar ook op de vijf grootsten in het pleistocene tijdperk (1,8 miljoen - 11.800 jaar geleden). De mammoet hoorde, samen met de leeuw, hyena, neushoorn en de wisent/bison bij deze 'Big five'. Van elk van die dieren hebben we honderden botten. Samen vertegenwoordigen ze een heel ecosysteem: de koude Serengeti. 

In hetzelfde ecosysteem leefden onder andere ook de sabeltandtijger, muskusos, wolf, reuzenhert, mastodont en het paard. Ook daarvan bezit Naturalis een groot aantal botten. Het paard is oververtegenwoordigd. Zo’n 42% van de botten is van een paardachtige. Kennelijk zwierven deze soorten paarden in grote kudden door ons land. De wisent komt op de tweede plaats met 21%. Daarna volgen mammoet (17%) en het rendier (8%). Ongeveer 12% behoort toe aan diverse andere soorten.

Roofdieren zijn het zeldzaamst. Toch heeft Naturalis een stuk of vijf onderkaken met de scherpe kiezen en dolkvormige hoektanden van de grottenleeuw.

Opgevist

Waar halen ze die botten eigenlijk vandaan? Verreweg de belangrijkste vindplaats van botten is de Noordzeebodem. De sleepnetvisserij leverde niet alleen vis op, maar ook een groot aantal fossielen. Door goede contacten met de vissers bleven de opgeviste botten bewaard voor Naturalis en kregen zij een plek in de tentoonstelling of in de collectietoren. 
Vroeger gingen de mensen van Naturalis eens in de twee weken de havens langs om de botten van de vissers op te kopen. Naturalis gaat nu nog maar één keer per jaar op fossielenjacht en dat is met de speciale vistocht ‘Kor en Bot’. De familie Schot uit Zierikzee stelt haar mosselkotter hiervoor belangeloos beschikbaar. 
De Oosterschelde is één van de belangrijkste vindplaatsen van de mastodont. De naam 'mastodont' betekent 'tepeltandig' en verwijst naar knobbelrijen op de kiezen die aan rijen tepels bij zeugen doen denken. In de Oosterschelde zijn in totaal zo'n veertig kiezen en honderden botten gevonden. Bijzonder is een stuk bovenkaak met twee melkkiezen dat in 1961 is opgevist, en een fragment van een onderkaak met een complete kies. Het knobbelgebit van de mastodont van Auvergne was geschikt om zacht voedsel, zoals bladeren, vruchten en twijgen mee te vermalen. Voedsel dat voorkwam in een vrij warm en vochtig subtropisch gebied.

Opgezogen

Ook op het land zijn mammoetbotten te vinden. Baggeraars komen tijdens hun werk vaak botten tegen die met het zand mee omhoog komen. In de weekenden struinen amateurs die plekken af; ze melden hun vondsten bij Naturalis en veel van hun collecties komen uiteindelijk in het museum terecht. 

Bij de zandwinning uit de zand- en grindputten langs de grote rivieren: de Waal (Slijk Ewijk), de Maas (Gewande), de IJssel (Olburgen) en de Rijn (de Bijland bij Lobith) zijn veel fossiele botten aan het licht gekomen. De jaren 70 en 80 waren topjaren. Toen zijn er enorm veel mammoetbotten opgebaggerd. Veel van deze botten zijn in de collectie van Naturalis gekomen. Uit al die vondsten blijkt dat Nederland eigenlijk één groot mammoetenkerkhof is. Het bewijs hiervan ligt soms letterlijk voor het oprapen op het strand, meegekomen met opgebaggerd zand.

Een toren vol

Tientallen jaren geleden was het verzamelen van fossielen nog geen populaire hobby. Naturalis was één van de eersten die belangstelling toonde voor de opgeviste en opgebaggerde fossielen en al snel wisten vissers en baggeraars aan wie zij hun botten kwijt konden. De fossielenopbrengst werd groter toen de vissers met sleepnetten gingen vissen en hun schepen meer pk's kregen. Hierdoor konden zij nóg zwaardere en grotere netten gaan slepen.
Ook aan land kwam er een ware fossielenaanvoer op gang. De toegenomen welvaart na de Tweede Wereldoorlog vroeg om meer huizenbouw en daar waren enorme hoeveelheden zand voor nodig. Zand dat door de baggerij naar boven werd gehaald. Regelmatig raakten de pijpen van de zandzuigers echter verstopt door een vastzittend mammoetdijbeen of een schedel van een reuzenhert. Voor Naturalis een meevaller, maar niet voor de baggeraars omdat het bot de pijp verstopte en alle druk wegnam waardoor het baggeren stil kwam te liggen. Om dit te voorkomen, werden de monden van de zuigpijpen uitgerust met een traliewerk en een spuitkanon om de botten de doorgang te verhinderen of ze kapot te spuiten. Helaas voor Naturalis blijven de grote botten, zoals schedels en dijbenen, nu op de bodem en komen er alleen nog kleine botten mee.

Zes weken in bad

Fossielen die uit zee komen, kun je niet zomaar laten opdrogen. Door het zeezout komen er scheuren in het fossiel en het zal uiteindelijk verbrokkelen wanneer je het niet conserveert.  Eenmaal opgevist, moeten de botten eerst zes weken in een bad met zoet water. Het water wordt om de paar dagen ververst want zo krijg je het zout eruit. Daarna volgt het prepareren van de botten met een speciaal mengsel zoals velpon in aceton. Het is nu stevig genoeg om te worden tentoongesteld of te worden opgeslagen.

Tweehonderd mammoeten in één

De mammoet die in de tentoonstelling Oerparade staat, is een wolharige mammoet. Het is een mannetje. Het bijzondere aan de bul is dat hij is samengesteld uit botten van meer dan 200 verschillende individuen. De meeste zijn opgevist uit de Noordzee, andere zijn met het baggeren meegekomen. De schedel is Brabants, opgebaggerd in Gewande in Noord-Brabant. De slagtanden komen van wat verder weg: uit Siberië. Naturalis heeft ze in bruikleen van het Natural History Museum in Londen. Bij elkaar horende slagtanden van één individu worden in Nederland bijna nooit gevonden.

Buitengewone botten

Er zitten heel bijzondere exemplaren in de collectie. Het topstuk is een complete schedel van een vrouwelijke, volwassen wolharige mammoet (Mammuthus primigenius). Deze is in 1968 opgebaggerd uit de IJssel bij Olburgen, in de buurt van het Gelderse Dieren. Mammoetschedels zijn erg fragiel, ze zijn groot en licht gebouwd. Hierdoor heeft de schedel een groot oppervlak voor de aanhechting van nekspieren maar blijft hij toch licht. Maar de licht gebouwde en uitstekende delen breken gemakkelijk door de baggermachines of zware kettingen die voor de netten van de boomkorbotters hangen. Gave mammoetschedels worden hierdoor maar zelden heel gevonden en dat maakt de uit de IJssel opgeviste mammoetschedel zo uniek. Het is één van de mooiste schedels van de wereld.

IJzersterk gebit

Fossielen die niet zo gauw breken, zijn mammoetkiezen. Dat komt omdat ze keihard zijn en ze worden daarom vaak nog gaaf naar boven gehaald. Dat gebeurde ook met kiezen van de mastodont Anancus arvernensis die alleen in de Oosterschelde opdoken. Er zijn maar een paar plekken op aarde waar faunaresten uit de periode 2 miljoen jaar geleden tot het begin van het pleistoceen worden gevonden. De kiezen uit de Oosterschelde zijn daarom vrij bijzonder. Ook de paleontoloog Eugene Dubois droeg zijn steentje, of eigenlijk meer, zijn botjes bij. Hij verzamelde de meeste botten van de Tegelse collectie. Een collectie die belangrijk is vanwege zijn omvang betreft de botten die van de Bruine Bank komen, een extreem fossielrijke vindplaats op 60 mijl zeewaarts van IJmuiden. In deze verzameling zitten botten van alle grote diersoorten uit de ijstijd.

Ogen en oren van de wetenschap

De collectie van Naturalis is dan wel één van de grootste ter wereld, toch ontbreken er botten. Zo werden er nooit mammoeten op groeistadium verzameld waardoor we het leven van een mammoet niet van jong tot oud kunnen reconstrueren. Ook bezit Naturalis (nog) weinig botten van roofdieren. 'Nog' want mogelijk brengt de Werkgroep Pleistocene Zoogdieren (WPZ)  hier verandering in. De WPZ is een vereniging waarin amateurs- en beroepspaleontologen samenwerken en die zich richt op het verzamelen en bestuderen van zoogdierfossielen uit de ijstijd. De werkgroepleden van de WPZ zijn op dit gebied de ogen en oren van de wetenschap geworden. Zij nemen het verzamelstokje van Naturalis over. 
Er ligt een schone taak voor de WPZ want er is nog weinig onderzoek gedaan naar de mens in de pleistocene tijd. Bewijs dat de mens ook aan de evolutie deelnam.

De mens duikt op

Dat de Neanderthaler in hetzelfde ecosysteem als de mammoet leefde, was bekend maar het fijne wist Naturalis er nooit van, totdat er een schedelkapje van een Neanderthaler werd gevonden. Een schelpenzuiger haalde het schedelkapje 10 kilometer uit de kust van Zeeland naar boven. Eerst dacht men niet iets bijzonders te hebben gevonden, maar bij verdere studie bleek de wenkbrauwboog de typische Neanderthalereigenschappen te hebben. Omdat het stukje schedel voor de Zeeuwse kust is gevonden, heeft het de naam 'Krijn' gekregen, een typische Zeeuwse jongensnaam. Ook lijkt deze naam op 'cranium' wat ‘schedel’ betekent in het Latijn. De vondst is uniek want tot nu toe werden er alleen werktuigen van de prehistorische mens gevonden, maar nog nooit zulke oude botten. Het stukje schedel bevindt zich op dit moment in een privé collectie.

At Krijn mammoetvlees?

Onderzoek van het bot van Krijn wees uit dat hij een grote vleeseter was en voornamelijk leefde van de biefstukken van mammoet, bison, oeros en paard. Op de botten in de collectie heeft Naturalis echter nooit bewerkingssporen van de mens aangetroffen. Maar door de steeds geavanceerdere rakende techniek zullen we in staat zijn het leven van Krijn te reconstrueren: Van hoe hij eruit zag tot wat hij at en hoe hij liep. De mens en de mammoet in één verhaal.