NCB Naturalis

De Dubois-collectie

De strijd van een gedreven wetenschapper om de evolutie te bewijzen

De Trinil collectie heeft me veel problemen opgeleverd - Uit: Pat Shipman 'The Man Who Found the Missing Link'

De Dubois-collectie bestaat uit zo’n 40.000 objecten die tussen 1887 en 1900 door Eugène Dubois verzameld zijn in Nederlands-Indië. Het is een unieke verzameling fossielen die een beeld geeft van de prehistorische fauna op Java en Sumatra, maar ook van de persoon Dubois en zijn toewijding aan het paleontologisch onderzoek. Naast fossielen bevat de collectie persoonlijke eigendommen, zoals meetinstrumenten, het koffertje van Dubois en zelfs enkele van zijn tanden die getrokken moesten worden en die hij gebruikte om ze te vergelijken met fossielen tanden van mensen en apen. De collectie is meer dan een verzameling oude fossielen in een opslagruimte, ze vertelt het verhaal van een bijzondere man die grote dromen had en er alles voor over had om zijn doelen te bereiken. De vondsten van Dubois spelen een belangrijke rol in de kennis die we hebben over de evolutie van de mens. Het was Dubois’ levensdoel om de evolutietheorie van Darwin te bewijzen, door op zoek te gaan naar de ‘Missing Link’, de ontbrekende schakel tussen aap en mens. Dubois slaagde in zijn missie maar kreeg niet de erkenning waar hij op hoopte.

Een gedreven wetenschapper

Eugène Dubois wordt geboren op 28 januari 1858 in Eijsden, een dorpje in Zuid-Limburg. Tijdens zijn jeugd is hij al geïnteresseerd in wetenschap, vooral in de evolutietheorie. Dubois gaat medicijnen studeren aan de universiteit van Amsterdam waar hij later een veelbelovende carrière tegemoet zal gaan. Hij zou er zelfs professor kunnen worden. Zijn jeugddroom om de evolutietheorie te bewijzen was hij echter nog niet vergeten en hij besluit zijn carrière op te geven om op zoek te gaan naar de ‘Missing Link’.

Samen met zijn vrouw Anna en dochter Eugènie vertrekt Dubois als tropenarts in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger naar Sumatra. Hij kiest voor Sumatra omdat fossielen van mensachtigen vooral in grotten worden gevonden en die zijn er op Sumatra in overvloed. In een verzoek aan de Gouverneur van Sumatra geeft Dubois aan dat het belangrijk is dat hij onderzoek kan doen naar de Missing Link voordat een ander land er met de vondst vandoor gaat. De Gouverneur antwoordt dat hij dwangarbeiders zal leveren als Dubois een goede onderzoeksplek vindt.

In de hooglanden van Sumatra vindt Dubois al snel vindt hij tanden en kiezen van verschillende diersoorten. Zijn vondsten vormen de eerste paleontologische collectie van Sumatra: voorheen was er nooit onderzoek gedaan naar fossiele resten op het eiland. Dubois heeft wel zijn bedenkingen: de fossielen zijn niet oud genoeg voor een eventuele Missing Link. Toch schrijft hij naar de Gouverneur en krijgt zes dwangarbeiders toegewezen om hem te helpen. Er worden onder andere fossielen van een orang-oetan gevonden, ook een primaat net als de mens. Dit is het bewijs voor Dubois dat er een kans is menselijke fossielen te vinden in Nederlands-Indië.

De arbeiders zijn boeren en weten niets van opgraven. Beetje bij beetje lukt het Dubois om de mannen duidelijk te maken hoe ze te werk moeten gaan. Langzaamaan krijgen de arbeiders meer respect voor hem. Nadat Dubois de groep net op tijd uit een grot die op instorten staat weet te halen, geloven de mannen dat hij speciale krachten heeft.

Onderzoek op Java

In 1888 wordt op Java een menselijke schedel gevonden nabij het plaatsje Wadjak. De vinder is B.D. van Rietschoten, een mijningenieur. De schedel is al teveel mens om een overgangsvorm te zijn, maar geeft wel aan dat de omstandigheden voor fossielen op Java gunstig zijn. Dubois besluit om op Java verder te gaan zoeken. Hij heeft geen verplichtingen meer aan een ziekenhuis of het leger en kan zich geheel aan zijn onderzoek wijden. Samen met Kriele en de Winter, twee sergeanten die aan zijn onderzoek zijn toegewezen, maakt hij een plan van aanpak. Het werk wordt uitgevoerd door de sergeanten en de arbeiders. Zelf is Dubois weinig aanwezig op de opgraving, maar hij bestudeert de vondsten thuis.

Een stuk kaak met twee tanden is het eerste menselijke fossiel dat Dubois op Java vindt. Hij doet de vondst in het najaar van 1890 bij Kedoeng Broebus, in het binnenland van Oost-Java. Deze vondst wordt niet gedaan in een grot maar in het open veld. Het is zwaar versteend en duidelijk ouder dan de Wadjakschedels. De kaak ziet er primitief uit, maar omdat het fragment klein is, is het moeilijk te determineren. Dubois classificeert het fragment als behorend tot hetzelfde geslacht als de moderne mens: het geslacht Homo. Verder worden botten van allerlei uitgestorven dieren gevonden evenals fragmenten van een tweede schedel, van dezelfde soort als de Wadjak-schedel.

De Missing Link

Op Java zijn de fossielen in de grotten te jong dus moet er op andere plekken gezocht worden. Dubois realiseert zich dat een rivier de beste plek is om vondsten te doen: wanneer het water laag staat worden de onderliggende grondlagen onthuld. Hij kiest ervoor om aan de oever bij het dorpje Trinil te gaan graven waar door boeren al eerder fossielen zijn gevonden. Meteen worden er fossielen aangetroffen van uitgestorven buffels, olifantensoorten en andere dieren. De fossielen zijn goed bewaard gebleven door vulkanische as, vrijgekomen bij vulkaanuitbarstingen in het gebied. De omstandigheden zijn hier erg gunstig voor fossielen en Dubois besluit deze plek systematisch te onderzoeken.

In september 1891 wordt de eerste belangrijke vondst gedaan: een kies uit de bovenkaak van een aapachtige soort. In oktober wordt een bijzonder bot gevonden in dezelfde grondlaag als de kies, het blijkt een mensachtig schedeldak te zijn. De vondsten liggen dicht bij elkaar, Dubois vermoedt daarom dat beide vondsten tot hetzelfde individu hebben behoord. Zijn fossiel is geen aap, daarvoor is de schedel te groot. Hij is echter te primitief om van een Neanderthaler te zijn. In augustus 1892 wordt weer een bijzondere vondst gedaan. Het blijkt te gaan om een dijbeen, te groot en te sterk gebouwd om afkomstig te zijn van een gibbon of orang-oetan. Het dijbeenbot lijkt opvallend veel op dat van een mens.

Het is idioot om te twijfelen aan het feit dat de drie fossielen bij elkaar horen, gezien de korte afstand tussen de vindplaatsen.” Uit: Pat Shipman - The Man Who Found the Missing Link

Mensaap of aapmens?
Het schedeldak hoort volgens Dubois tot een nieuwe soort, hij noemt deze Anthropopithecus erectus: rechtoplopende mensaap. Na de vondst van het dijbeen gaat Dubois echter twijfelen aan de naam. Het dijbeen vertoont zoveel overeenkomsten met een menselijk dijbeen dat Dubois in 1893 besluit dat het niet gaat om een mensaap maar om een aapmens. In zijn aantekeningen vervangt hij Anthropopithecus erectus  door Pithecanthropus erectus. Zijn idee is dat Pithecanthropus de evolutionaire schakel vormt tussen apen en mensen. Hiermee heeft hij Darwins vermoeden dat ook de mens een evolutie heeft ondergaan wetenschappelijk bewezen. Tegenwoordig zien wetenschappers Dubois’ vondst als Homo erectus, de directe voorloper van de moderne mens (Homo sapiens). Ze geloven nu niet meer dat mensen van apen afstammen, maar dat mensen en apen een gemeenschappelijke voorouder hebben.

Hersenonderzoek
Het schedeldeel dat Dubois op Trinil vindt zit vol met hard vulkanisch gesteente, ook wel matrix genoemd. Met behulp van een tandartsboor verwijdert Dubois beetje bij beetje het materiaal uit de schedel om de binnenkant te onderzoeken en afgietsels te maken. Deze afgietsels bewaart hij in sigarendoosjes, waar ze nog steeds in opgeslagen zijn. Om zijn theorie dat hij de Missing Link heeft gevonden te ondersteunen doet Dubois onderzoek naar de herseninhoud van schedels. Hij ontwikkelt hiervoor zelfs een eigen formule om de herseninhoud van schedels te kunnen bepalen. De herseninhoud van de Pithecanthropus schedel is bijna 1000cc, dat komt in de buurt van de 1250cc bij de moderne mens en is veel groter dan die van een aap. Zijn vermoeden dat hij de Missing Link heeft gevonden wordt steeds sterker. Hij heeft een rechtoplopende soort met een grote herseninhoud ontdekt, een individu met zowel menselijke als aapachtige kenmerken.

Terug naar Nederland

De fossielen van Pithecanthropus worden gedurende de tijd in Indië door Dubois in zijn koffertje bewaard en angstvallig in de gaten gehouden. Als de familie tijdens de terugreis met het schip waarop ze reizen in een storm terecht komt, wordt het zijn vrouw Anna pijnlijk duidelijk hoe belangrijk de fossielen voor haar man zijn. Wanneer de storm zo erg wordt dat het schip mogelijk zal zinken, vertelt Dubois Anna dat zij de kinderen moet redden als er iets gebeurt, hij moet zijn koffer met daarin de fossielen beschermen.

Geen hartelijke ontvangst
Dubois publiceert zijn vondst in het artikel: ‘Pithecanthropus erectus: eine menschenähnliche Uebergangsform aus Java’. Hij is erg hoopvol, maar het artikel wordt door vakgenoten met gemengde gevoelens ontvangen. Dubois was aan zijn zoektocht begonnen met het idee dat hij als beroemd wetenschapper in Nederland terug zou keren. Zijn ontdekking wordt echter bedolven onder kritiek. Veel wetenschappers twijfelen aan Dubois’ bewering dat de verschillende fossielen tot één individu toebehoren. Ze vinden de vondsten te verschillend: het dijbeen is overduidelijk menselijk maar de kies en het schedelkapje primitief. Ook verwijt men hem dat zijn aantekeningen van de vindplaatsen niet nauwkeurig genoeg zijn.

Een nieuw systeem
De opvatting dat zijn vondstregistratie niet nauwkeurig is frustreert Dubois, hij had juist erg nauwkeurig gewerkt met behulp van een gridsysteem. Er werden vierkante vakken uitgezet en van elke vondst moest worden geregistreerd in welk vak het wordt aangetroffen. Dubois was de eerste die dit systeem, wat nu algemeen geaccepteerd is, gebruikte.

Teleurstelling
Tijdens Dubois’ verblijf in Nederlands-Indië overlijdt zijn vader. Het verlies valt Dubois zwaar. Zijn vader was het niet eens met het besluit om naar Indië te vertrekken en hij overlijdt voor Dubois de ontbrekende schakel vindt. Nu kan hij nooit meer aan zijn vader laten zien dat zijn onderzoek niet voor niets is geweest. Als hij bij terugkomst de fossielen aan zijn moeder laat zien, krijgt hij wederom een teleurstelling te verwerken. ‘Wat kun je ermee?’ vraagt zijn moeder. Dubois is sprakeloos. Hoe kan hij nu de waarde uitleggen, als het geen waarde voor haar heeft? Alles wat hij heeft opgeofferd, alles wat hij heeft doorstaan, alle obstakels die hij door pure vastberadenheid heeft overwonnen, betekenen niets voor haar.

Na de ontdekking

Dubois is conservator geworden van het Paleontologisch-Mineralogisch Cabinet waar hij de Pithecanthropus fossielen bij zich houdt. De rest van de fossielen wordt bewaard in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie te Leiden. Steeds meer wetenschappers oefenen druk op Dubois uit om de fossielen weer voor onderzoek beschikbaar te stellen. Juridisch gezien is de collectie eigendom van de Nederlandse Staat die heeft betaald voor het vervoer van de fossielen uit de koloniën en voor de opslag van de objecten. Onder dwang van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen geeft Dubois onderzoekers weer toegang tot de fossiele resten van Pithecanthropus erectus. In 1923 worden de vondsten weer beschikbaar gesteld aan de wetenschap. Ze liggen in een speciaal voor de gelegenheid gemaakte kluis in het Teylers Museum.

Piet
Voor de wereldtentoonstelling van 1900 wordt Dubois gevraagd of hij zijn fossielen beschikbaar wil stellen voor het paviljoen over Nederlands-Indië. Dubois ziet niet in waarom zijn fossielen daar tentoongesteld zouden moeten worden. Wel besluit hij een levensecht beeld te maken van zijn interpretatie van Pithecanthropus erectus. Vergeleken met moderne reconstructies zijn de armen van het wezen te lang, de voeten te aapachtig en  het voorhoofd te groot. In zijn hand houdt Pithecanthropus een werktuig waar hij vragend naar kijkt. Het gebruik van werktuigen wordt gezien als menselijk. Mogelijk wilde Dubois het moment vastleggen waarop de aap, mens wordt. Zoon Jean staat model voor het beeld, dat de bijnaam ‘Piet’ krijgt. Alleen het gipsen beeld wordt getoond op de tentoonstelling, niet de vondsten zelf.

Registratie en documentatie
Dubois is na zijn belangrijke ontdekkingen de interesse voor de andere fossiele vondsten uit Nederlands-Indië verloren, maar hij wil wel zelf de collectie beheren. Hij vindt dat hij de enige is die de registratie van de vondsten kan doen. Het duurt lang voor de collectie beschreven wordt, daarom krijgt Dubois een assistent toegewezen: J.J.A. Bernsen.

Terwijl Bernsen een krat met ribfragmenten doorwerkt stuit hij op een bijzonder bot. Op 1 juni 1932 brengt hij het stuk onder de aandacht van Dubois. Dubois bestudeert het object uitgebreid en vermoedt dat het gaat om een tweede dijbeen van Pithecanthropus. In de kratten worden nog enkele andere stukken dijbeen gevonden, waaronder een fragment dat precies aan het eerste past. Het gaat om een linker dijbeen; er is dus een tweede individu geweest. Dubois’ overtuiging dat de kies, het schedelkapje en het dijbeen tot één individu behoorden komt op losse schroeven te staan. Dubois ziet de nieuwe fossielen echter als afkomstig van andere individuen omdat ze sterker zijn vergaan en ze verder weg lagen van de andere vondsten.

Eenzaam en onbegrepen
Het onderzoek naar de ontbrekende schakel en de discussie die erop volgde heeft Dubois veel frustratie opgeleverd en de toewijding aan zijn onderzoek heeft iedereen bij hem vandaan gedreven. Hij is een eenzame en onbegrepen man geworden. Dubois overlijdt op 16 december 1940 aan een hartstilstand. Hij wordt begraven in ongewijde grond in Venlo. Zijn naam en ontdekkingen worden echter niet vergeten. Nieuwe vondsten veranderen de kijk op evolutie maar Dubois’ ontdekkingen blijven een belangrijk keerpunt in de evolutieleer. Zijn naam leeft voort als de ontdekker van de ‘Missing Link’, degene die Darwins vermoeden bewees dat ook de mens een evolutie had ondergaan. Er is sindsdien veel geschreven over de bijzondere objecten die hij verzameld heeft. Met Dubois werd de Paleoantropologie als aparte wetenschappelijke discipline geboren en de basis voor moderne onderzoeksmethoden gelegd. 

De Dubois-collectie in Naturalis

In 1894 worden de fossielen in 400 kratten verpakt en naar Nederland verscheept. Sindsdien zijn de fossielen meerdere malen verhuisd naar nieuwe onderkomens, tot ze in 1997 een definitieve plek krijgen in de collectietoren van Naturalis. Normaal gesproken is de collectie, met uitzondering van de schedelkap, het dijbeen en de kies, niet voor het publiek toegankelijk. In 1993 wordt een speciale tentoonstelling gehouden in het Pesthuis in Leiden waar zo’n 12.000 objecten voor geselecteerd zijn. Het is de eerste keer in 100 jaar dat de Pithecanthropus fossielen voor het publiek te zien zijn. In 2008 wordt wederom een tentoonstelling aan Dubois en zijn vondsten gewijd.

Bijzondere vondsten
De belangrijkste objecten uit de collectie zijn het schedelkapje, een kies en een dijbeen. Deze vondsten waren volgens Dubois afkomstig van een nieuwe soort die qua ontwikkeling tussen apen en mensen instond. Hij noemde deze soort Pithecanthropus erectus (tegenwoordig Homo erectus) wat ‘rechtoplopende aapmens’ betekent. Dit was de ontbrekende schakel waar hij naar op zoek was, een overgangssoort die aantoont dat ook de mens onderdeel uitmaakt van de evolutie. Niet langer was de Neanderthaler de oudste fossiele mensachtige. De fossielen van Dubois waren vele honderdduizenden jaren ouder en dus van groot belang voor de wetenschap. Het originele schedelkapje, de kies en het dijbeen zijn te zien in de vaste tentoonstelling ‘Oerparade’. Ze zijn onvervangbaar en daarom tentoongesteld in een vitrine van kogelvrij glas.

Het belang van de collectie
De Collectie Dubois beslaat 250 vierkante meter in het depot van Naturalis. De 40.000 objecten variëren van zware stukken die niet door één persoon te tillen zijn, tot bakken met honderden kiezen. Er wordt nog steeds wetenschappelijk onderzoek verricht aan de collectie. Nieuwe technieken onthullen nog altijd nieuwe feiten over de objecten. Ouderdomsbepalingen hebben aangetoond dat Pithecanthropus tussen 700.000 en 1 miljoen jaar geleden leefde. Ook de Wadjakschedel is zo gedateerd. In maart 2013 verscheen een artikel in het belangrijke tijdschrift ‘Journal of Human Evolution’. Daarin wordt aangetoond dat de schedel zo'n 37.400 tot 28.500 jaar oud is. Een hogere ouderdom dan voorheen werd gedacht maar veel jonger dan de Pithecanthropus erectus vondsten.

Een ander onderzoek naar het gebruik van waterdieren als voedselbron heeft meer inzicht opgeleverd in de eetgewoontes van Homo erectus. Kennis over dieet is van belang voor het begrijpen van de evolutie, omdat voedsel bepalend is voor de grootte van het lichaam, de herseninhoud en de keuze voor de leefomgeving. Onderzoek van de kies heeft onomstotelijk bewezen dat deze afkomstig is van Homo erectus (of Pithecanthropus erectus zoals Dubois deze soort noemde).De dikte van de emaillaag op tanden en kiezen verschilt per mensensoort en door deze te meten kon bevestigd worden dat Dubois de juiste conclusie had getrokken over zijn vondsten. De ontwikkeling van nieuwe onderzoekstechnieken, zoals methoden waarbij het materiaal niet beschadigd wordt door het onderzoek, maken het mogelijk om steeds meer te weten te komen. Het is daarom van belang dat de door Dubois bijeengebrachte Trinilcollectie onder de juiste omstandigheden opgeslagen wordt en behouden wordt voor onderzoek in de toekomst.

Meer lezen:

Albers, P.C.H., J de Vos, 2010. Through Eugène Dubois’ Eyes: stills of a turbulent life. Leiden: Brill. 185 pp.

Bouquet, M., 1993. Man-Ape, Ape-Man: Pithecanthropus in het Pesthuis. Leiden: Karstens drukkers b.v.  93 pp.

Joordens, J.C.A, F.P. Wesselingh, J. de Vos, H.B. Vonhof, D. Kroon, 2009. Relevance of aquatic environments for hominins: a case study from Trinil. Journal of Human Evolution 57, pp 656-671.

Leakey, R.E., L.J. Slikkerveer, 1993. Man-Ape, Ape-Man. Leiden: Netherlands Foundation for Kenya Wildlife Service. 184 pp.

Shipman, P., 2001. The Man who Found the Missing Link: Eugène Dubois and His Lifelong Quest to Prove Darwin Right. New York: Simon & Schuster. 514 pp.

Storm, P., R. Wood, C. Stringer, A. Bartsiokas, J. de Vos, M. Aubert, L. Kinsley, R. Grün, 2013. U-series and radiocarbon analyses of human and faunal remains from Wadjak, Indonesia. Journal of Human Evolution 64, pp. 356-365.

Theunissen, B., 1985. Eugène Dubois en de aapmens van Java. Een bijdrage tot de geschiedenis van de Paleantropologie. Amsterdam. 242 pp.